Het Vakcollege – wezensvreemd en gedoemd; lessons learned 2

Een julidag, de vergaderaars verlangen naar vakantie maar de vakbondsbestuurder laat overtuigd z’n kaarten zien. “Het is eigenlijk een goed idee, we gaan meedoen, al had ik nooit gedacht dat ik zou meebetalen aan wat bedrijven zelf moeten doen”. Het gesprek is beslissend voor een gezamenlijk gefinancierde onderneming in de markt voor technische opleidingen. De instroom in het beroepsonderwijs loopt al jaren terug en heeft geleid tot bittere wederzijdse verwijten. Overheid en vakbeweging geloven in een onderneming als oplossing. Jaren later -in 2016- keert het idee terug als het Vakcollege. Het blijkt het resultaat van mislukt polderoverleg. Wat ging er fout?

Techniek en de onderwijscultuur

In 1998 was ik enkele jaren organisatieadviseur toen een RvB-lid van een in Den Haag gevestigde multinational met een idee rondliep. Na een blijkbaar geslaagde presentatie legde hij het me voor: “Als grote techniekonderneming in Den Haag hebben we belang bij goede relaties met de Gemeente – zou je n’s willen nadenken over hoe we dat kunnen verbeteren?” Uiteraard was nee geen optie en merkte dat het nieuwtje van deze opdracht zich buiten mij om verspreid had en vooral bij het onderwijs grote belangstelling ondervond. Enkele jaren daarvoor zou het voor bestuurders uit de gesubsidieerde sector ondenkbaar zijn geweest om zich tot het bedrijfsleven te wenden. In de wereld van het onderwijs waren ondernemingen verdacht, maatschappelijk onberekenbaar en gericht op winst. Dat laatste alleen al was voor onderwijsbestuurders -en voor menig onderwijzer met hen- afdoende om contact met het bedrijfsleven als niet wenselijk te beschouwen. Nu echter bleek de ene na de andere onderwijsbestuurder graag bereid mij te onderhouden over het belang van goede relaties tussen school en bedrijfsleven. De oorzaak van deze cultuurverandering werd me snel duidelijk. Het was de tijd waarin scholen nog hoopten dat ze met hun tijd mee konden als ze afgeschreven computers van het bedrijfsleven mochten overnemen. Voor echte investeringen in nieuwe technologie bestond geen budget. Ik kwam er achter hoe arm onderwijsinstellingen waren, hoe slecht onderhouden hun gebouwen en hoe onderbemand op het gebied van infrastructuur en technische hulpmiddelen.

“Een klas met hoofddoeken”

Er bleek daarachter een dieper liggend probleem. Schoolorganisaties in het beroepsonderwijs onderhielden relatief dure technische opleidingen en installaties – voor deze opleidingen liep het aantal inschrijvingen hard terug. De ene na de andere werd wegens hoge kosten gesloten. Een bestuurder zei me, misschien iets te eerlijk: “Ik wil best iets doen voor techniek maar voor mijn organisatie zouden we er beter aan doen technieklokalen te sluiten. Voor Administratieve beroepen heb je zo een volle klas met hoofddoeken”. Toen ik voor een eerste rapportage bij mijn opdrachtgever kwam, realiseerde ik me dat voor het doel van m’n opdracht -zelfs voor deze International alléén- niet zomaar een praktische aanpak voorhanden was. Voor de noodzakelijke samenwerking tussen het onderwijs en het bedrijfsleven zou eerst een politieke wending nodig zijn. Voor de forse, doorgaande investeringen voor techniek in het onderwijs kon de overheid niet de enige bron zijn. Wat het gesprek opleverde was dat m’n opdrachtgever bereid was om bij de Gemeente Den Haag te pleiten voor strategisch overleg tussen betrokkenen over de vele problemen op het gebied van het technisch onderwijs. Dat kwam tot stand, waarmee deze opdracht er op zat.

Leereffect één: wijzig de context

Niet alleen in Den Haag maar overal in het land bloeiden vergelijkbare initiatieven op. Ze stuitten steeds op hetzelfde probleem: hoe de financiering te vinden voor de vele noodzakelijke maatregelen. Er deed zich een spel voor dat ik ook in andere opdrachten tegenkwam: partijen wezen eerst op hogere belanghebbenden, die vervolgens op elkaar wachtten voor ze tot plannen en bijbehorende financiering besloten. Organisaties van het bedrijfsleven bijvoorbeeld verwezen, na hun instemming betuigd te hebben met een initiatief, voor financiering naar anderen, zoals FME-CWM, de opleidingsfondsen van werkgevers en werknemers, of ‘de politiek’. Het Ministerie erkende de problemen van het techniekonderwijs en stelde daaraan ‘iets te willen doen’ als het bedrijfsleven zou bijdragen in de financiering. Het onderwijs bleek initiatiefrijk maar kon weinig anders dan het pleidooi herhalen voor een steeds noodzakelijker grondige aanpak. Wat je in reactie op zo’n stagnatie doet is het wijzigen van de context. Je vraagt geen financiering voor een onderwijsinitiatief maar voor andere zaken waarbij het onderwijs een noodzakelijke partner is: innovatie, regionale ontwikkeling of werkloosheidsbestrijding. Het niet geringe nadeel daarvan bleek snel: voor financieringsaanvragen moest het onderwijs zelf partners zien te vinden en uitgebreide aanvragen tot een goed einde zien te brengen. Zelf heb ik twee keer zo’n aanvraag georganiseerd. Ik zie nog het autoritaire Sanhedrin voor me dat er minzaam één afwees. De andere, toegewezen, stelde zoveel eisen aan de rapportage, dat de met verantwoording gemoeide kosten bijna even hoog uitkwamen als het toegekende budget.

Wie zorgt voor techniek in het onderwijs?

Voor het bedrijfsleven ging de ontwikkeling naar een op de behoefte van de markt ingespeeld technisch onderwijs niet snel genoeg. Daar viel iets voor te zeggen: alles bijeen hadden het bedrijfsleven en het onderwijs gedurende twintig jaar gepleit voor verbetering. Hoewel niemand de noodzaak daarvan ontkende, bleek er in de politiek weinig gehoor voor – die had aan het eind van de vorige tot ver in het begin van deze eeuw heel andere prioriteiten. Maatschappelijke ontwikkelingen als democratisering, de grote stadsproblemen, het overheidstekort en de werkloosheid -om er enkele te noemen- overvleugelden de prioriteit van het techniekonderwijs en ook -wat uiteindelijk veel dreigender was- de afnemende belangstelling voor techniek bij kinderen en een generatie van ouders die nimmer kennis hadden gemaakt met exacte en natuurwetenschappen.

Leereffect twee: passeer instituties niet

Op een goede dag kwam me het initiatief voor het Vakcollege ter ore. Het originele daarvan was, dat het niet van start was gegaan met de bekende partners maar met private financiers. Belangstellend nam ik er kennis van. Nadere kennisneming leerde dat het bedrijfsmodel niet klopte. Na aanvankelijk enthousiasme en medewerking door onderwijsorganisaties bleek dat uiteindelijk toch de overheid garant zou moeten staan voor niet alleen de zakelijke risico’s maar ook voor honorering van de initiatiefnemers. In februari 2016 kwam het echec na weigering door de overheid aan de oppervlakte. Typisch voor onze tijd was de oplaaiende verontwaardiging, in hoofdartikelen drong de roep om transparantie door en de zoektocht naar schuldigen begon. Wat wil je ook: scholen konden het concept Vakcollege kopen, zoals een franchise. Dat was voor een sector als het onderwijs net iets te wezensvreemd, hoewel enkele tientallen scholen er toch toe hadden besloten.

Techniek voor jonge kinderen

Mijn eigen keuze ging in de richting van nog een andere context: laat kinderen op Internet spelen met techniek. Kinderen spelen graag, zijn van nature nieuwsgierig maar in onderwijsprogramma’s is niets dat deze bij alle kinderen aanwezige aanleg voedt. In de gedigitaliseerde wereld van de opgroeiende jeugd liggen de kansen voor het onderwijs, de wetenschap en het bedrijfsleven. De OESO, de EU en de Technische Universiteiten bepleiten daar de oplossing te zoeken, investeerders blijken geïnteresseerd. De kunst is een bedrijfsmodel te ontwerpen dat financiers en belanghebbenden met een lagere termijn perspectief bijeen brengt. Nu de richting duidelijk is, zijn oa. organisatieadviseurs in een positie om daarin initiatieven te nemen.

Cor de Feyter, juni 2016

 

Een reactie plaatsen